Jan-Willem van Erven Dorens over Melbourne en Boedapest
Jan-Willem van Erven Dorens gaf een interview aan hockey.nl over de boycot van de Olympische Spelen van Melbourne in 1956 en het eerbetoon in Boedapest zestig jaar later. Hieronder integraal zijn verhaal, opgetekend door Merel Barreveld:

Van Erven Dorens heeft na zestig jaar begrip voor sportboycot

In november werd de 83-jarige Jan-Willem van Erven Dorens – de vader van televisiepresentator Beau van Erven Dorens – in Hongarije gehuldigd, omdat hij bij de sporters hoorde die de Olympische Spelen van 1956 in Melbourne boycotten. Maar hij was het helemaal niet eens met die boycot, bleek toen hockey.nl hem in Bloemendaal opzocht.

Van Erven Dorens vertelt het – zichtbaar met veel moeite – in zijn zelfverbouwde huis, met een kop koffie erbij. In 1956 besliste het Nederlands Olympisch Comité om de Nederlandse sporters niet naar Melbourne te sturen. De reden: de inval van de toenmalige Sovjet-Unie (het huidige Rusland) in het tegen het communisme rebellerende Hongarije. Geen enkele Nederlandse sporter zou naar Australië afreizen.
 
De voormalig speler van Laren herinnert het moment dat hij en zijn ploeg zich realiseerden dat de Spelen voor hen niet doorging maar al te goed. ‘Toen die beslissing tot ons doordrong, liepen de tranen over onze wangen’, vertelt Van Ervan Dorens. ‘Woedend waren we, in staat om een ruit in te gooien. Er was niemand van het NOC om dat persoonlijk te vertellen. Dat besluit werd ons, zonder overleg, door de strot geduwd. Vanaf het begin af aan vonden wij het een onzalige, impulsieve beslissing.’

De Nederlandse equipe, waar Van Erven Dorens in de spits speelde, zou twee maanden weg zijn. Na Melbourne stonden bezoeken aan India en Egypte gepland. In één klap werden al die plannen van tafel geveegd. Tot groot verdriet van de hockeyer, die niet naar de andere kant van de wereld zou afreizen, maar gewoon zijn militaire dienst moest afmaken. ‘We hebben nog even de hoop gehad toen Prins Bernhard zich met de kwestie ging bemoeien. Het bleek tevergeefs. Ik had buitengewoon verlof gekregen voor de Olympische Spelen, maar ja, ik ging niet. Opeens liep ik dus weer met een bajonet in mijn handen in plaats van met een hockeystick.’

De oorkondes die de hockeyers als troost van het NOC ontvingen, werden verscheurd. De publieke opinie in Nederland vond de boycot echter prachtig, aldus Van Erven Dorens. Dat was met name te danken aan de NOC-voorzitter J. Linthorst Homan, die de Sovjet-inval vergeleek met de invasie van nazi-Duitsland in de jaren ’30. ‘Ik noem zijn naam nog altijd niet graag’, zegt Van Erven Dorens voorzichtig over de man die zijn Olympische droom stukmaakte.

De motieven van Linthorst Homan werden ernstig in twijfel getrokken. Beweerd werd dat de NOC-voorzitter de boycot van ’56 gebruikte om zijn eigen, ietwat bezoedelde blazoen vanuit de oorlog, op te poetsen. Van Erven Dorens: ‘In die tijd waren er geen media zoals nu. In Hongarije wisten ze niet eens waar Nederland lag. Linthorst Homan misbruikte sport om zelf politiek te bedrijven. Met succes. Met zijn retoriek wakkerde hij de anti-Sovjet-sentimenten flink aan en kreeg de stemming in Nederland, maar ook voorzitter van de hockeybond Jaap Quarles van Ufford, aan zijn kant.’

Vier jaar later in Rome kreeg Van Erven Dorens een herkansing tijdens de Spelen van Rome. Hij droeg zelfs de Nederlandse vlag tijdens de openingsceremonie. Helaas was hij met vijf anderen een uitzondering. Voor de meeste teamgenoten van vier jaar eerder betekende de boycot van ’56 het einde van hun olympische droom. ‘Als hockeyers waren we in de running om redelijk te presteren in Melbourne. Onder de zwemsters zaten echter wereldrecordhouders. Vier jaar voorbereiding in een keer weg. Die wisten niet wat hen overkwam.’

Gehuldigd als helden
In Hongarije wist destijds niemand van de Nederlandse boycot. Tot de val van de Berlijnse Muur (1989) was het niet toegestaan over de Revolutie te praten. Zestig jaar na dato vonden de Hongaren het tijd dat helden werden geëerd. In november nodigden ze elf Nederlandse sporters uit die wel naar Melbourne wilden, maar niet gingen. Tijdens de officiële herdenking van de Hongaarse Revolutie spraken de Hongaarse parlementsvoorzitter László Kövér en Pal Schmit, IOC-lid en voorzitter van het Hongaars Olympisch Comité, hen toe.

Jan-Willem van Erven Dorens kijkt enkele weken later met een goed gevoel terug op die huldiging. ‘De Hongaren zijn ontzettend warme mensen. Een gids heeft ons de plekken getoond waar de Hongaren opstonden tegen het communisme, waar duizenden vechtend gesneuveld zijn. We hebben allemaal meer begrip gekregen voor de situatie van die tijd.’

De vier zwemsters, zes hockeyers en een waterpoloër kregen na afloop van het congres een staande ovatie. Zwemster Atie Dorresteijn zei daarna: ‘Dit is het applaus dat we in 1956 niet hebben gekregen. Na zestig jaar kan ik deze enorme teleurstelling eindelijk afsluiten.’

Ook de gepensioneerd ingenieur noemt het een mooie afsluiting van zestig jaar frustratie. ‘In eerste instantie vond ik het gefêteer en het applaus wat vreemd. De Hongaren zien de sporters als bondgenoten tijdens hun revolutie. De ironie is natuurlijk dat het niet onze keuze was om niet naar Melbourne te gaan. We waren het er zelfs niet mee eens. Later verduidelijkte de voorzitter zijn standpunt. Wij zijn in zijn ogen helden omdat wij, vanwege de opstand, onze dromen hebben moeten opgeven.’ Glimlachend: ‘Dáár konden wij het niet mee oneens zijn.’

Sport en politiek scheiden
‘Nederland is de uitvinder van de sportboycot’, zei sporthistoricus Jurryt van de Vooren al eens. Ervaringsdeskundige Van Erven Dorens is het daar, na alles wat hij heeft meegemaakt, niet mee eens. ‘Eigenlijk zou je sport en politiek gescheiden moeten houden. Natuurlijk is dat ingewikkeld, omdat sport geld krijgt van de regering. Maar weet je, ik heb nog nooit een sporter ontmoet die niet met een andere sporter kan omgaan. Sport verbroedert op alle fronten. Dat moet je niet verzieken met politieke zaken. Onze koning Willem-Alexander die aan de pils zit met de Russische president Vladimir Poetin, dat moedig ik alleen maar aan. Want als we daar al niet meer met elkaar kunnen praten, waar dan nog wel?’